Big Five

De theorie van de Big Five gaat ervan uit dat alle menselijke karaktereigenschappen terug te voeren zijn op een vijftal dimensies, die de Big Five worden genoemd. Deze dimensies zijn tegenpolen en ieder mens heeft per dimensie een score de ergens tussen deze tegenpolen ligt. De Big Five is niet gebaseerd op één enkele theorie of ontwikkeld door één individuele onderzoeker, maar het resultaat van de gezamenlijke bevindingen van diverse analisten uit de laatste 40 jaar. Vele andere persoonlijkheidstesten zijn gebaseerd op de Big Five.

De vijf dimensies zijn:

  1. E: Extrovertheid. Extrovert versus Introvert. Mensen die hoog scoren zijn mensen die  graag in het gezelschap van anderen vertoeven en van gezelligheid houden. Ze zijn vaak assertiever, spraakzamer en actiever dan introverten. Ze houden van opwinding en spannende acties en zijn opgewekt van aard. Zij zijn doorgaans goedgemutst, energiek en optimistisch. Introverte mensen zijn doorgaans niet verlegen, maar geven er vaak de voorkeur aan om alleen te zijn.
  2. N: Neurotisisme (Emotionele stabiliteit). Rustig versus onrusting. Mensen met een lage score zijn emotioneel stabiel, maken zich niet snel zorgen en zijn moeilijk uit het lood te slaan. Men is tevreden met zichzelf, ontspannen en weinig emotioneel. Ze hebben gewoonlijk een gelijkmatig humeur en benaderen stresssituaties rustig en zonder gespannen opwinding. Mensen met een hoge score zijn minder emotioneel stabiel en zijn sterker geneigd angst te ervaren. Neurotische mensen maken zich meer zorgen, zijn onzekerder en nerveus. Ze zullen sneller boos, ongerust of uitgelaten zijn.
  3. O: Openheid (voor nieuwe dingen): Behoudend versus vernieuwend. Mensen die hoog scoren op Openheid zijn nieuwsgierig en fantasievol, zowel ten aanzien van de innerlijke wereld als de buitenwereld. Ze zijn creatief. Hun ervaringswereld is doorgaans rijker en gevarieerder dan die van laagscoorders, die we conventioneel of gesloten kunnen noemen. Hoogscoorders conformeren zich niet bij voorbaat aan de beschikbare regels, schema’s, gewoonten en uitgangspunten. Mensen die laag op Openheid scoren neigen naar conventioneel gedrag en conservatieve opvattingen. Ze verkiezen het vertrouwde boven het nieuwe, zijn praktisch en down-to-earth, en houden zich het liefst bezig met de feiten van het hier en nu.
  4. C: Contentieusheid (ordelijkheid): Wanordelijk versus ordelijk. De consciëntieuze mens wordt gekenmerkt door eigenschappen als betrouwbaar en gewetensvol. Hij of zij is doelgericht en goed georganiseerd, en ziet het leven als taken die moeten worden vervuld. Ze hebben een sterke wil, zijn vastbesloten. Mensen met een lagere score ontbreekt het niet aan normen, waarden, idealen, noch aan regels of principes voor allerlei taken. Ze zijn alleen minder streng en precies in het toepassen ervan, ze zijn wat dat betreft lakser. Ze werken aan het bereiken van hun doelen op een meer ontspannen manier en nemen het voor lief dat dingen soms mislukken, en dat sommige doelen niet bereikbaar blijken. Laagscorers hebben een meer flexibele houding en kunnen beter tegen chaos.
  5. A: Altruisme: Focus op de ander versus focus op jezelf. Altruïsme is de mate waarin iemand het belang van anderen boven zijn eigen belang stelt. Bij hoogscorers is de ander subject in relaties, de relatie wordt vaak vanuit de ander beleefd. Altruïstische mensen zijn hulpvaardig, bescheiden, vriendelijk en geneigd tot samenwerken. Ze verplaatsen zich in de ander en bezien situaties (mede) vanuit het doel van de ander. De altruïst is van nature begaan met het welzijn van anderen en neigt naar milde oordelen over anderen. Mensen die laag scoren zijn eerder competitief dan coöperatief. Hoogscorers zijn ‘warmer# en staan meer open voor de belangen en wensen van anderen. Laagscorers gaan meer uit van hun eigen belang.

Testen van competenties